Het ging zo: we moesten tanken. Dringend tanken en ik verliet de auto. Mijn taak, altijd, waar dan ook. 54.2 liter en dus snel naar binnen en betalen. Nou verliet ik de auto met nog een minuut te spelen in het Feyenoord Stadion en een wel zeer opgewonden (maar ook zeer gewaardeerde) collega Arman Avsaroglu, die bij ons thuis liefkozend de dertiende man van de Rotterdamse ploeg wordt genoemd. En als hij dat niet is, is hij wel de snelst, goed verstaanbaar Nederlandssprekende sportverslaggever van ons land.

Ik moest wachten op de mevrouw voor me die ook moest betalen, maar die de nummers van haar pasjes niet meer wist en er een heel probleem van maakte. Dus miste ik het eindsignaal en de ongetwijfeld jubelende teksten van Arman.

Het was grappig dat ook hij, zoals veel anderen die betrokken waren bij het kampioenschap en de lange aanloop daar naartoe, nauwelijks over de bekende berg clichés wist te komen en dat alleen het bijwonen van en het aanzicht van al die sentimenten in de Kuip hem in zijn over het algemeen zeer rijk bedeelde taalvaardigheid remden.

Zoals altijd, een mens is maar een mens en rond botsende sentimenten komen, hoe dan ook en waar dan ook, momenten op ons af die iets met ons doen. Ja, natuurlijk maakte ik die momenten ook mee, zulke zaken passeren een ieders deur.

Na vijf minuten schoof ik de auto weer in en begreep dat ik de eindsymfonie van Arman  gemist had. Wat restte was een reutel aan nabeschouwingen; veelal opgediend door een stem die schoolradio had gemaakt en ons, de luisteraar, ook als kleuter behandelde. Ik wilde Arman en dat wilden de presentatoren van Langs de Lijn ook.

Toen was ik thuis. Radio weer af. Huis in, televisie aan. Juichbeelden uit de Kuip, maar wacht, waren de renners in de Giro d’Italia niet bezig aan de giga klim naar de top van Blockhaus? Dus…naar het fietsen op Eurosport. Laatste drie kilometer. Spanning. Vocaal begeleid door een (jonge?) man van Vlaamse snit die door de analist Karsten Kroon met “Jeroen” wordt aangesproken. Ik moet eerlijk zijn, ik ken de man niet, nooit gezien, nooit tegen gekomen. 

Ik luisterde en dacht…doe eens wat rustiger aan en ga analytisch aan de slag: wat gebeurt er op die Italiaanse berg, blijf vooral kalm en laat het beeld spreken. Zwijg eens even, al is het maar voor drie seconden, maar probeer het eens. Neem je luisteraar eens serieus. Les één immers van dat lesboek dat we allen hebben moeten leren.

Dat gebeurde dus niet; het was en bleef ratatouille, waarin Tom Dumoulin het goed deed, waarin Bouke Mollema met zijn tong op zijn voorwiel reed en waar we nauwelijks tot geen beelden te zien kregen van Steven Kruijswijk.

Vanuit Italië schakelde ik in den blinde naar Nederland 1 en zag een allerlaatste flits van “ons” Joep. Ook weer leuke chaos. Toen kwam er hockey, Rotterdam won ook daar, na een zeer spannende wedstrijd; het zinderde bijna overal.

Ik zocht het andere sportnieuws op. Internet. Koele woorden op een grijs scherm. Ik zag de tekst “Verstappen valt uit”. Ik riep naar mijn ega “Verstappen valt uit” en zij antwoordde, keurig koel:” Heb ik gelezen, ja”. Meer niet.

Ik dacht terug aan mijn oude leermeester Kees Buurman, de toenmalige chef radio van de NOS. Deze ziener, die zijn manschappen voortdurend aanzette om rustig te blijven en onze luisteraars toch vooral zeer serieus te nemen, leerde ons ook de volgende, ongeschreven wet: ”Gesproken woord is als geschreven woord met een karakterpit erin”. En iedere radioverslaggever en ook televisieprater bepaalt hoe groot die pit is en hoe de smaak daarvan is.

De bijna koele woorden: ”Verstappen valt uit” zullen, eerder op de middag in mega-vorm, opgewonden en overspoeld met sentimenten door Olaf Mol bij Ziggo uitgesproken zijn vanuit Barcelona. Dat kan bijna niet anders en ik begrijp dat ook.

Buurman leerde ons vroeger ook: ”Enthousiasmeer met de handrem erop, ook als je een kampioenschap beleeft, beschouwt en bespreekt. Geef de luisteraar de kans zichzelf een plaats te vinden in wat er gebeurt. Beschrijf de sfeer, maar overschreeuw je eigen gevoelens niet.“

Wat bleek dat gistermiddag weer een moeilijke taak. Zoals ik ook menigmaal aan den lijve ondervond. Waar vind je de balans, waar ga je in een hoger tempo spreken, waar hou je een beetje in, waar juich je mee, waar verlies je mee? En ook: hoe zwaar weegt datgene wat je ziet en hoort (en dus voelt) op jouw eigen gevoel en in hoeverre filter je dat?

Ik ben bang dat Buurman ook gezegd zou hebben: “Juichen om de elfde plaats hoeft niet echt,” maar dat terzijde.